De watersnoodramp van 1 februari 1953 veroorzaakte grote schade aan het oostelijk deel van Schouwen-Duiveland. Via een enorm gat in de dijk stroomde hier maanden lang het zoute water de polder in en uit. Met veel inspanning werd op zeven november 1953 het laatste gat in de dijk gedicht.
Vooral hier had de bodem zwaar geleden. Er waren diepe gaten geslagen en de humuslaag was weggespoeld. In 1956 verwierf Staatsbosbeheer het gebied en besloot het een recreatieve bestemming te geven. Water en bos, samen 140 hectare, geven het landschap een liefelijk aanzien.
Populieren, maar ook eiken, beuken en essen zorgen voor beschutting en voedsel aan insecten, reeën, konijnen en vogels. Het is een blijvende herinnering aan de watersnoodramp van 1953.